‘Je ziet er goed uit zeg’, klonk het goedbedoeld toen ze terugkwam na een burn-out

Gepubliceerd in NRC Handelsblad

Als de 27-jarige Kelly een middag voor een nieuwe groep gehandicapte kinderen staat, barst ze opeens in huilen uit. Niet dat die kinderen nou zo lastig zijn – ze doet het werk dan al ruim een half jaar. Maar ineens lijken alle impulsen te veel. Oververmoeid wordt ze door een leidinggevende naar huis gestuurd. Daar besluit ze met haar ouders naar een huisarts te gaan, die aan een paar woorden genoeg heeft: burn-out.

Het duurt nog even voordat Kelly, die niet met haar achternaam in de krant wil, de diagnose werkelijk accepteert. „Ik dacht: ja doei! Ik ben zesentwintig! Hoe kan dat nou?” Maar op aanraden van de huisarts licht ze de zorgboerderij waar ze 32 uur in de week werkt toch in: ze is ziek en moet uitrusten. Er wordt gelukkig begripvol op gereageerd. Tot er na drie weken een mail volgt: „Je bent nu vast wel lekker uitgerust, wanneer kom je weer terug?”

Om het aantal werknemers dat langdurig ziek is terug te dringen, werd in 2002 de Wet verbetering poortwachter ingevoerd. Het uitgangspunt: een snelle aanpak verkort het verzuim. Werkgevers zijn sindsdien verantwoordelijk voor de begeleiding van zieke werknemers, in samenspraak met een arbodienst of bedrijfsarts. Zit iemand acht weken met een burn-out thuis, dan wordt gezamenlijk een plan opgesteld waarin precies staat wat er moet gebeuren om hem of haar weer gezond aan het werk te krijgen.

Zo’n plan is er om te beginnen om te voorkomen dat opgebrande werknemers aan hun lot worden overgelaten. Als Kelly bijvoorbeeld duidelijk maakt dat ze echt thuis moet blijven, verwatert het contact met de zorgboerderij. „Mijn leidinggevende reageerde zelfs een beetje bozig: ‘Je hebt hier toch voor gekozen, waarom geef je dan op?’” Achteraf begrijpt ze het wel. „Ze konden me natuurlijk niet missen, ik snap dat het ook voor hen moeilijk was.” Maar ondertussen is ze doodsbang geworden straks wéér zoveel verantwoordelijkheid te krijgen, en besluit ze een andere baan te zoeken.

Weer aan het werk gaan na een burn-out begint volgens Carien Karsten, publicist en psychotherapeut gespecialiseerd in burn-outs, niet voor niets al tijdens het ziek zijn. Want zelfs al zou Kelly zijn teruggekeerd, begrepen voelde ze zich niet. En dat had bij terugkomst waarschijnlijk een hoop spanning opgeleverd. „Als leidinggevende is het daarom belangrijk dat je meteen begrip toont”, zegt Karsten. Wat je in ieder geval nooit moet doen: te hard pushen. Dus niet vragen om toch nog even iets af te ronden, of vragen wanneer iemand weer terug komt.

Weten wat energie geeft

Wat moet een leidinggevende wel doen? Het plan van aanpak is er volgens Karsten niet in de laatste plaats om samen met een zieke werknemer uit te zoeken wat iemand nodig heeft om weer aan het werk te gaan. In 2014 onderzocht TNO welke factoren belemmeren dat iemand met psychische problemen weer aan het werk gaat. Een greep uit de uitkomsten: onregelmatige werktijden, niet gedeeltelijk weer aan de slag kunnen of onvoldoende ruimte het werk zelf in te richten. „Die dingen voorkom je met een goed plan.”

De burn-outwetenschap is het er bovendien over eens dat in een gezonde werksituatie een evenwicht bestaat tussen wat mensen voldoening geeft en wat hun motivatie in de weg staat. Een leidinggevende moet er in gesprek met de werknemer dus achter komen: wat geeft, en wat vreet energie. „Wat moet er veranderen in het werk of in de functie, om niet opnieuw een burn-out te krijgen”, benoemt Karsten. Een ander rooster had Kelly bijvoorbeeld al veel geholpen: „Eens níét een avonddienst en meteen daarop een ochtenddienst draaien.”

Steek de hand tijdens die gesprekken ook in eigen boezem, benadrukt Karsten. „Het is voor leidinggevenden aanlokkelijk de schuld af te schuiven. ‘Waarom is iemand niet duidelijker geweest?’, of: ‘Waarom gaf iemand niet aan dat het te veel was?’” Die reactie is logisch – ook de leiding heeft immers het gevoel gefaald te hebben. Maar dat soort uitingen van wrok dragen volgens Karsten niet bij aan de terugkeer. „Iemand die opgebrand is, voelt zich al alles behalve competent. Wrijf dat niet in.”

Ook van belang voor een leidinggevende: komt een werknemer weer terug, zorg dan dat het ‘oude’ bureau niet is ingenomen. Laat weten wat er van hem of haar verwacht wordt in de uren dat hij weer werkt, en: wees aanwezig op de dag van terugkeer.

Iemand die thuiszit met een burn-out moet zélf ook iets doen. Contact houden met het werk bijvoorbeeld. Karsten: „Werkgevers zijn verplicht je een bedrijfsarts toe te wijzen. Ga met die arts en je leidinggevende om tafel zitten om een plan te bespreken.”

Nienke Thurlings, oprichter van platform Jong Burnout en stresscoach voor jonge werknemers, adviseert mensen om ook met een onafhankelijk psycholoog te praten. „Zonder zweverig te willen klinken: je zult erachter moeten komen waar je dan wél energie van krijgt.” Een bedrijfsarts is belangrijk voor het contact met het werk, maar is er ook op gericht jou weer een radertje in de machine te maken. „Vraag jezelf daarom af: kan ik in deze organisatie vinden wat ik nodig heb?” Al waarschuwt Karsten niet te rigoureus te zijn. „In eerste instantie denken veel mensen: ik kom nooit meer terug. Ik zeg dan: focus op je herstel, keer terug, en ga na een half jaar pas nadenken over je loopbaankeuze.”

Een andere functie is soms goed

De branche waarin je een burn-out krijgt, doet er dan ook nog toe. Langzaam beginnen, door een paar uur per week te werken, is bijvoorbeeld goed voor het herstel. Maar meester van groep acht ben je geen halve dag. En een andere functie is soms goed, maar dan moet het bedrijf wel zó groot zijn dat die functie er is. Gebruik het reïntegratieplan om te onderhandelen, adviseert Karsten. „Stel voor administratief werk te doen dat is blijven liggen, om te wennen aan de werkomgeving. Of zeg wat je wel leuk vindt in je functie, zodat jullie dat kunnen uitbreiden.”

Hij ziet er goed uit, maar zegt toch dat-ie niet kan werken – ‘Had ik maar een gebroken been’, hoort Karsten nog regelmatig van burn-outpatiënten. Volgens Karsten ligt onbegrip bij collega’s niet zelden ten grondslag aan een moeizame terugkeer op het werk. „De ervaring is dat psychische problemen negatiever worden beoordeeld dan fysieke problemen. We twijfelen aan iemands competentie, dat is bij welke andere ziekte dan ook helemaal niet aan de orde.”

Dat soort oordelen voorkom je volgens Karsten door ervoor te zorgen dat je collega’s het horen zodra je thuis komt te zitten. „Laat je leidinggevende in samenspraak met jou een mail met tekst en uitleg opstellen.” Zorg in ieder geval dat een leidinggevende jouw recht op privacy nooit gebruikt om maar niets te zeggen: „Leg liever uit wat een burn-out inhoudt.” Laat collega’s bovendien weten of je zin hebt in contact, en hoe je anders wil dat ze op de hoogte gehouden worden, zegt Thurlings. „Burn-outpatiënten kunnen soms al een hartverzakking krijgen zodra er een mail binnenkomt, zelfs al staan er bemoedigende woorden in.”

Toen Kelly tussentijds even langs ging bij de zorgboerderij vielen vooral de reacties van collega’s haar zwaar. ‘Je ziet er goed uit zeg!’, klonk het goed bedoeld. Of: ‘Wat was er nou allemaal aan de hand?’ „Dat gaf mij het gevoel verantwoording te moeten afleggen. Als ik er toch zo goed uitzag, was er dan wel wat mis?”

Bereid het eerste contact voor

Bereid ook het eerste contact met je collega’s daarom goed voor, zegt Thurlings. Bespreek met je baas hoe je wilt dat hij of zij vertelt dat je terugkomt, of stuur zelf een mail in positieve bewoordingen: ‘Ik ben weer goed op weg en wil het werk langzaam opbouwen. Jullie zullen me dus wat vaker zien.’ Zet in zo’n mail ook of je het fijn vindt als mensen ernaar vragen, of juist niet, omdat het te veel energie kost.

Karsten adviseert burn-outpatiënten in ieder geval nooit het volledige verhaal te vertellen: „Je herleeft de situatie en voelt je opnieuw een faler, terwijl je eigenlijk weer aan het werk wilt. Zeg in plaats daarvan: ‘Het gaat steeds beter met me. En hoe is het met jou?’” Kelly vond het fijn als mensen vroegen: ‘Hoe gaat het?’ „Had ik er zin in, dan deed ik mijn verhaal. Had ik dat niet, dan zei ik: ‘Beter.’”

Bedenk hoe dan ook dat de sfeer in het bedrijf doorslaggevend is voor de manier waarop collega’s met je burn-out zullen omgaan, benadrukt Thurlings. „Wat goede bedrijven in mijn ogen onderscheidt, is dat er tot op het hoogste niveau aandacht is voor het welzijn van werknemers. De directie doet óók een cursus timemanagement, je leidinggevende mailt niet meer na zeven uur ’s avonds. Pas dan dringt in alle lagen door: een burn-out kan iedereen overkomen.”

Advertenties

De wandelaar heeft geen haast

Gepubliceerd in NRC Handelsblad

Anderhalve kilometer park, koffie bij de bakkerswinkel, en dan bij dat drukke kruispunt, húp, de stadsherrie weer in. Het is maar vijf kilometer, maar toch: „Dat voel je dus wel in je benen: ’s avonds sporten hoeft niet meer.” En dan moet de terugweg nog komen.

Sinds een paar weken loopt Freek van der Hulst (29) regelmatig samen met zijn vriendin naar het werk. Dat begon toen zij van haar werkgever Heineken een stappenteller kreeg, in het kader van een ‘fit challenge’. Hij, operationeel manager bij het Italiaanse kledingmerk Brandy Melville, besloot met haar mee te lopen. En dat beviel: „Als je fietst heb je eigenlijk geen seconde rust. Je bent continu alert op andere weggebruikers, lossende vrachtwagens, oponthoud, scooters … Ik kwam daardoor vaak gehaast op mijn werk aan. Lopen vond ik verbazingwekkend rustgevend.”

Inmiddels is het stel zo’n zeven keer van hun huis in Amsterdam-West naar de Leidsestraat (hij) en het Marie Heinekenplein (zij) in het centrum gelopen. Een tocht van een uur en een kwartier. Let wel: alleen bij mooi weer. „Als het regent gaan we gewoon op de fiets.”

Gewoon relaxed

Van alle mensen die in 2015 naar hun werk gingen, deed 58 procent dat met de auto. 27 procent ging op de fiets, 7 procent met het openbaar vervoer. Slechts een kleine 4 procent besloot te lopen, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek dit voorjaar. Dat wandelen is dan ook geen efficiënte keuze: zelfs over een paar kilometer doe je al gauw een half uur. Nee, de wandelaar heeft andere motieven.

Wat die motieven zijn? Vraag het verschillende wandelaars en meteen valt op: voor de wandelaar bestaan er geen regels. De een gedijt bij serene rust, de ander belt, whatsappt, of werkt tijdens de tocht een to-do-lijst af, een derde loopt nooit alleen. En de regels die er bestaan, worden uitsluitend bepaald door de wandelaar in kwestie. „Hoewel beslist niet alle wandelaars autisten zijn, noemen wij het universum van de wandelaar: het autistische universum”, schrijft Arnon Grunberg in het voorwoord van Aan de wandel, een bundeling van de columns die Joyce Roodnat jarenlang in NRC Handelsblad over haar wandeltochten schreef. „De wandelaar heerst over zijn universum, omdat hij, zo meent hij, dat universum zelf heeft ingericht, of op zijn minst omdat het gehoorzaamt aan zijn wetten.”

Het is misschien wel daarom dat mensen lopen, al is het maar een uurtje per dag, als rustgevend ervaren. Goed, bij het oversteken is het even opletten. En bij veel herrie is een koptelefoon ook geen slecht idee. Maar wie regelmatig wandelt weet hoe snel je toch gedachteloos door het verkeer laveert. „Als ik wandel zit ik in mijn eigen wereld”, legt Van der Hulst uit. „Op de fiets ben ik voortdurend met anderen bezig, te voet loopt niemand me in de weg. Er is geen afleiding, en dat zorgt voor een leeg hoofd.”

Maar vraag de wandelaar vervolgens wat er dan voor zorgt dat hij zo ‘opgeruimd’ op zijn bestemming aankomt, en het antwoord luidt steevast: „Oh, niks eigenlijk.” Of: „Het is gewoon relaxed.” Onderweg wordt bij stadsgenoten naar binnen gegluurd of eens haltgehouden op een terras. Wie wandelt blijkt vooral de tijd voor zichzelf te nemen. En wie wandelt naar het werk, neemt die tijd op een moment dat het relatief gemakkelijk is dat te doen. Van der Hulst: „Het is een efficiënte manier van een moment voor jezelf nemen, door inefficiënt te reizen.”

Een ‘leeg’ hoofd

Volgens Suzanne Dwinger (45), officemanager bij investeerder LSP, is het een van de redenen dat ze bijna een jaar geleden ‘verslaafd’ raakte aan het uur naar haar werk lopen: „Het duurt een half uur langer, maar voor mijn gevoel win ik er een uur mee.” Met drie kleine kinderen thuis komt ze eigenlijk altijd meteen weer in de chaos terecht. „Dan is het fijn om tussen werk en thuis een langer rustpunt te hebben.” Prettige bijkomstigheid: er wordt bewogen. „Dus mamma hoeft ’s avonds niet nog eens weg om te gaan sporten. Zo belast ik mijn gezin ook minder.”

Dat bewegen was dan ook oorspronkelijk de reden van het wandelen. Na een verhuizing naar Amstelveen gaf een opnieuw te maken keuze uit de tram, auto of fiets de doorslag. „Ik wilde graag gezonder leven, dus besloot te beginnen met wat meer lichaamsbeweging. Maar voor ik het wist plande ik het halen en brengen van de kinderen eromheen, en verzon ik in het weekend plekken om naartoe te lopen. Ik raakte geïrriteerd als het een keer niet lukte – het móét.”

Wat is het toch aan lopen dat mensen als helend ervaren? Die vraag stelde Ineke Albers, theoloog en neurowetenschapper, in haar proefschrift over lopen tijdens religieuze rituelen. Haar antwoord: „Wat eigenlijk voor alle gecoördineerde bewegingen geldt, geldt ook voor wandelen. Lopen laat de ruis naar de achtergrond verdwijnen. Het malen in je hoofd houdt op, je bent meer in je omgeving en het nu.” Dat schept bijvoorbeeld ruimte voor het opmerken van nieuwe dingen. Zo vertelt Van der Hulst hoe hij bij het lopen eens niet overal langs ‘sjeest’. „Dan denk ik: hé, dat is een leuk restaurant, dat zat er nog niet. Of ik zie de huizen ineens goed.” Dwinger kijkt het liefst overal naar binnen: „Ik verbaas me dan over de rotzooi binnen.”

Is dat waarom de wandelaar een ‘leeg’ hoofd ervaart? Erik Scherder, hoogleraar klinische neuropsychologie, moet lachen wanneer hij die term voorgelegd krijgt. „Als mensen zeggen dat hun hoofd leeg is, denk ik: ‘Kom jij maar even bij mij in de hersenscanner liggen.’ Dat kan dus niet.” Wel snapt hij waar het idee vandaan komt: „Bewegen zorgt voor een betere doorbloeding van het brein, waar met name de frontale cortex, het deel van ons brein waar het remmende vermogen huist, van profiteert.”

Dat remmende vermogen is een soort filtersysteem, legt Scherder uit. Het gooit bijzaken weg, en behoudt de dingen die echt belangrijk zijn. Wie beweegt, filtert beter en kan ‘ruis’ naar de achtergrond doen verdwijnen. Scherder: „Het directe gevolg daarvan is een betere focus en concentratie.” Daarnaast heeft lopen een gunstig effect op de neutrofines in ons brein, die de voedingsbodem voor neurotransmitters (overbrengers van zogenoemde ‘zenuwprikkels’) vormen. „Bewegen zorgt er daarom voor dat de hersens weer geprikkeld worden. Je wordt wakker, en daarmee productiever.” Dat proces vindt overigens ter plekke plaats. Vooral bij aankomst op het werk zou je er dus profijt van moeten hebben.

Maar je kunt dat idee ook nog verder doortrekken, stelt Scherder. Lopen naar het werk heeft volgens hem niet alleen een gunstig effect, lopen tijdens het werk evenzeer. „Tijdens het werken of studeren zijn we veelal cognitief bezig en krijgt het brein eigenlijk zelden de kans tot rust te komen. Daardoor staat ons default mode network, het deel van ons brein dat activeert bij mentale rust, veel vaker uit dan we zouden willen.” En dat terwijl dit netwerk ervoor zorgt dat je op nieuwe, creatieve ideeën komt.

Vrij van laptops en telefoons

„Het klinkt paradoxaal, maar juist wanneer je even helemaal nergens aan denkt, krijg je ineens die ingeving”, zegt Scherder. Niels Taatgen, hoogleraar kunstmatige intelligentie, wil bij dat idee nog wel enige kanttekeningen plaatsen. Echt helemaal nergens aan denken doen we vrijwel nooit, zegt hij. Er zijn altijd afleidende gedachten. „Maar het in de zak stoppen van je smartphone of het uitbannen van zoveel mogelijk afleidingen, dat kan een creatief denkproces inderdaad wel helpen.”

Merkt Van der Hulst hier iets van wanneer hij aankomt op zijn werk? Niet per se. Wel ontdekte hij dat wandelen – vrij van laptops en telefoons – niet alleen zorgt voor meer rust, maar ook voor goede gesprekken met zijn vriendin. „Waar je thuis toch al snel iets anders gaan doen, heb je tijdens het lopen simpelweg geen andere keuze. Ben je met zijn tweeën, dan zorgt dat voor echte aandacht voor elkaar.”

Maar wacht even, samen lopen? Gaat het hele idee van mentale rust dan wel op? „Nee”, zegt Erik Scherder. „Daar zul je toch echt alleen voor moeten zijn.” Hetzelfde geldt volgens hem voor bellen tijdens de tocht. Maar die alertheid en productiviteit, daar kun je wel met zijn allen van profiteren. Niet voor niets hield oud-president Obama walking meetings: „Hij vergaderde het liefst lopend door de tuinen van het Witte Huis.” Overdrijf het alleen niet, waarschuwt Scherder. Want wie zichzelf moe loopt, put óók het brein uit. „De gunstige effecten van wandelen treden al op bij zo’n 30 tot 45 minuten stevig doorstappen.”

Van der Hulst moet lachen wanneer hij vaststelt nooit te hebben nagedacht over de invulling van een tocht. „We bespreken gewoon de dag.” Laten we een ding ook niet vergeten: in het universum van de wandelaar, heersen de regels van de wandelaar.

Op papier perfect, maar niet gelukkig

Gepubliceerd in NRC Handelsblad

In de laatste maanden van hun leven vraagt de Australische Bronnie Ware, verpleegster in de psychiatrische zorg, haar patiënten waar ze nu het meest spijt van hebben gehad. ‘Ik wou dat ik wat vaker trouw aan mezelf gebleven was, en minder het leven van anderen had geleefd’, is vaak het antwoord. Mark Siegenbeek van Heukelom (33) haalt de anekdote graag aan in gesprekken met generatiegenoten, die er veel in herkennen. „Jammer dat-ie is gesneuveld in mijn boek, eigenlijk.”

Zevenentwintig is hij, als Siegenbeek van Heukelom in „een wanhoopspoging” aanklopt bij een psycholoog. Op papier is zijn leven perfect – een afgeronde master in technische bedrijfskunde, stages in het buitenland, een leuke relatie. Maar gelukkig is hij niet. „Er liggen veertig jaar voor me en ik weet niet wat ik daarmee wil doen. Ik ben op zoek naar een baan, maar heb geen idee wat ik wil bereiken. Soms vraag ik me af of ik niet gewoon opzie tegen werken überhaupt”, schrijft hij op het kennismakingsformulier. Echt helpen doen de vijf gesprekken bij de psycholoog niet.

De quarterlife crisis, het dertigersdilemma, de dertigersdip – het is de ‘ziekte’ van twintigers en dertigers van nu. Het gevoel meer uit het leven te kunnen halen, maar niet weten waar te beginnen. Niet zelden eindigt zo’n crisis in een burn-out: van de jongeren tussen de 25 en 35 hebben één op de zes uitputtingsverschijnselen, berekende het CBS.

Aanstellerij

Siegenbeek van Heukelom besluit bij zichzelf te rade te gaan. Honderd zelfhulpboeken, een carrièreswitch en verschillende leiderschapstrainingen later kan hij de kenmerken van zijn eigen dilemma feilloos opdreunen: „Keuzestress, stuurloosheid, gebrek aan doelen, mezelf nog niet zo goed kennen, onzekerheid.”

Hij weet uiteindelijk af te rekenen met het „knagende gevoel”. Als opgeleid coach deelt hij zijn eigen inzichten nu met lotgenoten. Zijn worsteling vatte hij onlangs samen in de titel van zijn eerste boek: Is dit het nou? Afgelopen maand verscheen dat debuut, waarin voornamelijk praktische oefeningen staan.

Of het dertigersdilemma een luxeprobleem is? „Ja”, zegt hij. Maar aanstellerij? Dat niet. „Je ervaart wat je ervaart, daar kan niemand echt omheen.” Wel mag de uitkomst van zijn trainingen nooit zijn: ‘God wat hebben we het toch zwaar.’ Daarbij is hij zich terdege bewust van zijn bevoorrechte positie: „Ik weet dat veel me op een presenteerblaadje wordt aangereikt. Maar juist met alle kansen die ik krijg, wil ik er wel het allerbeste van kunnen maken.”

Je richt je heel duidelijk op hoogopgeleide mensen tussen de 24 en 36 jaar, waarom is dat?

„Omdat ik het belangrijk vind dat ik me met deelnemers van mijn trainingen kan identificeren. Ik weet wat er in hun hoofd omgaat, wat er in hun wereld speelt. Maar ik spreek deze doelgroep ook aan omdat het de mensen met alle kansen zijn. Juist hen wil ik vertellen: ‘Grijp ze alsjeblieft.’”

Wat zijn de verhalen die je tegenkomt tijdens trainingen?

„De grote gemene deler is dat mensen dingen doen die eigenlijk niet zoveel met henzelf te maken hebben. Dat komt vaak weer voort uit niet zo goed weten wie je nu echt bent. Dat is natuurlijk een heel filosofische vraag, maar het stellen van kritische vragen kan al een hoop opleveren. Is dit mijn werk, of is dit het beroep van mijn ouders? Leef ik naar mijn eigen normen en waarden, of naar die van mijn vrienden?

„Ik heb iemand weleens horen zeggen: ‘Slapen kun je wel als je dood bent.’ Ontzettend cool natuurlijk. Maar als zo’n jongen vervolgens overwerkt raakt, kun je je afvragen wie hij nu precies gelukkig maakte met die instelling.”

Is dat typisch voor het dertigersdilemma?

„Ja. Het is enerzijds de twijfel of je wel op de goede plek zit – op je werk, in je relatie, of op sociaal vlak. Anderzijds is het de constante vergelijking met anderen, versterkt door sociale media. We vragen ons doorlopend af: misschien moet ik ook wel op reis, of voor mezelf aan de slag, waarom heeft Pietje zoveel succes? Bovendien doen we zelf ook krampachtig mee aan het ophouden van de schone schijn, waardoor we het gevoel hebben dat onze eigen onzekerheid een persoonlijk manco is. Ondertussen wordt de angst op ons bek te gaan alleen maar groter.”

Waar komt al die twijfel toch vandaan?

„Waar mensen vroeger vaker in een midlife crisis terecht kwamen, stelt mijn generatie zichzelf denk ik al eerder de vraag: ‘Is dit wat ik wil van het leven?’ Ze lopen simpelweg eerder tegen hetzelfde sentiment op.”

„Toen mijn ouders mijn leeftijd hadden waren er minder keuzes. Gaat het bijvoorbeeld over werk, dan deed je als twintiger vaker wat op je pad kwam. Je zult de veertigers en vijftigers van nu vaker horen zeggen: ‘Ik ben er gewoon ingerold.’ Bovendien gold sterker: volg de opwaartse carrièreladder, word succesvol, en zorg daarnaast voor zekerheid. Dat dogma brengt minder twijfel met zich mee. Je weet wat je te doen staat.

„Daartegenover staat mijn generatie, die deels de economische crisis voor zijn kiezen heeft gehad. Hard werken leverde daarin niet per definitie meer zekerheid of succes op. Daar komt bij dat we nu weten: succes brengt niet altijd geluk. Ook aan de top kan het eenzaam zijn. Waar onze ouders zich dus pas later af zijn gaan vragen of dit nu alles was, durven wij al eerder te twijfelen aan de vraag of succes en zekerheid wel zaligmakend zijn. We zijn relatief vroeg in onze carrière met zingeving bezig.”

Zie je dat als een vooruitgang?

„Ja. Ik denk dat succes loskoppelen van de ouderwetse carrièreladder heel waardevol is.”

Hoe doe je dat, dat loskoppelen?

„Kritisch naar jezelf kijken is één. Uitzoeken wat voor jou de definitie van succes en een waardevolle baan is. Uitzoeken wat jouw tien is, noem ik dat. Pas dan kun je stoppen met leven vanuit een prima zeventje.”

Dat klinkt als een contradictie. Was het moeten voldoen aan allerlei hoge verwachtingen niet juist het probleem?

„Jouw tien is niet de tien die met trompetgeluid en vijfhonderd likes op Facebook ontvangen wordt. De manier waarop jij je carrière en leven in wil richten heeft niets met een ideale buitenkant te maken.”

De onvermijdelijke vraag: hoe doe je dat dan, uitzoeken wat jouw ‘tien’ is? In zijn boek geeft Siegenbeek van Heukelom een veertigtal korte oefeningen, gericht op het beter leren kennen van jezelf en wat jij van je carrière verwacht.

Een goed voorbeeld is het maken van een ‘overvloedlijst’. „Het is een prima strategie om te weten wat je wil in het leven en de realiteit onder ogen te zien als je bepaalde zaken daarvan (nog) niet voor elkaar hebt. Maar als dat het enige is waar je naar kijkt, kun je je al snel ontevreden, gejaagd en futloos voelen”, schrijft hij. Vervolgens benadrukt Siegenbeek van Heukelom het belang van op gezette tijden stilstaan bij alles wat er wél is. Op dat lijstje kunnen staan: materiële bezittingen, mooie herinneringen, vriendschappen en relaties, geleerde kennis en vaardigheden, doorgemaakte groei.

Maar wat nu als je bij een bedrijf werkt dat geen oog voor persoonlijke ontwikkeling heeft, waar men nog wél volgens die ouderwetse carrièreladder denkt?

„Die vraag krijg ik heel vaak. Ik denk dat je je in zo’n geval moet afvragen of je wel op die plek wil werken. Als leidinggeven bijvoorbeeld geen kwaliteit is, maar een hogere functie, dan doen veel mensen niet waar ze goed in zijn. Er zijn allerlei bedrijven die al wel actief bezig zijn met de bevlogenheid van werknemers, bedrijven die wél inzien dat ze energie in hun werknemers moeten steken om het beste uit ze te halen. Ik vind dat we daar als generatie best een beetje pioniers in mogen zijn. Wij mogen onze voorkeur best laten gelden. Wie op zijn plek zit in een organisatie, presteert namelijk stukken beter. Dat is ook voor werkgevers belangrijk.”

Ook als het inhoudelijk je droombaan is?

„Ik denk dat je jezelf steeds de vraag moet stellen: is de energie die hier werken me kost, de energie die het oplevert waard?”

Jezelf leren kennen was stap één. Wat is stap twee?

„Actie ondernemen, experimenteren. Dat kan van alles zijn – van een dag met iemand meelopen om te ervaren of een baan iets voor je is, tot de stoute schoenen aantrekken en een open sollicitatie sturen. Als je weet wat jij te bieden hebt en welk werk daarbij past, kun je gerichter keuzes maken. In het boek vertel ik een verhaal van een pas afgestudeerd arts die wel in opleiding tot KNO-arts wilde, maar zichzelf niet vier jaar lang promotieonderzoek zag doen. Dat is ongebruikelijk, en zorgde dus voor een impasse. Totdat ze het gewoon aankaartte. Eén van de zeven artsen die ze sprak waardeerde haar vastberadenheid zodanig, dat ze in opleiding mocht. Zoiets had natuurlijk minder rooskleurig af kunnen lopen, maar ze was bereid dat risico te lopen.”

Hoe zorg je ervoor dat het maken van een omslag niet nóg een opgave wordt?

„Groeien blijft eng. Iedereen zal altijd bang zijn de foute keuzes te maken. Maar wetende dat die angst nooit weggaat, is het ook een kwestie van door de angst heen bijten. Kies je altijd de weg van de minste weerstand, dan zal het knagende gevoel in ieder geval niet weggaan. En kom je er zelf niet uit, laat je dan helpen.”

Opgebrand? Dat ligt dus niet alleen aan jou

Gepubliceerd in NRC Handelsblad

Neem rust, ga op een cursus timemanagement of op yoga, krijgen mensen met een burn-out vaak te horen. Maar is dat wel de beste oplossing?

‘Ik was met vriendinnen uit eten geweest, had de gesprekken maar nauwelijks gehoord. ‘Gauw slapen’, dacht ik nog, terwijl ik op de fiets stapte. Maar vijf minuten later lag ik op straat. Geen stoeprand, geen medeverkeer, geen hobbel. Gewoon: stomweg van de fiets gevallen. Het was kennelijk de enige manier mijn lichaam te stoppen, luisteren deed ik er al lang niet meer naar. En zelfs toen herinner ik me nog dat ik dacht: ‘Is mijn leren jas nu stuk? Die moet ik morgen aan.’”

In juni 2014 komt Marleen Romkema (30) thuis te zitten, oververmoeid. Een dag nadat ze van de fiets valt, zit ze bij de huisarts. Een hersenschudding, constateert die, en dus: rust nemen. ‘Overdreven’, denkt Romkema in eerste instantie. ‘Ik ga morgen gewoon aan het werk’. Maar wanneer ze toch een week naar haar ouderlijk huis in Groningen vertrekt, komt ineens de klap. Zelfs douchen wordt een opgave.

Romkema werkt op dat moment in de jeugdzorg, als ambulant hulpverlener voor jongeren tussen de zestien en tweeëntwintig jaar. „Je moest er wel tegen kunnen”, zegt ze nu. „De tienerzwangerschappen wisselden zich af met zware gedragsproblemen.” Maar als het haar destijds zwaar valt, zijn de gedachten vooral: ‘Het zijn gewoon drukke tijden’, of: ‘Dit hoort nu eenmaal bij het werkende leven.’ Romkema: „Zonder dat ik het wist verlegde ik telkens mijn grenzen. Ik gaf meer energie dan ik ontving, maar dacht dat het hoorde bij het hebben van een eerste baan.”

Te veel van het goede

Wie meer wil weten over het hebben van een burn-out, hoeft zijn agenda maar naast die van een debatcentrum te leggen. Afgelopen maand in de hoofdstad leverde bijvoorbeeld al een aardige lijst op. Op een woensdag vertelt communicatiedeskundige Florien Vaessen op een symposium van The School of Life hoe zij op de bank belandde. Donderdag presenteert schrijver Bregje Hofstede in academisch-cultureel centrum Spui25 haar nieuwe boek, over het lichamelijke herstel na een burn-out. In het weekend spreekt de Duitse filosoof Hartmut Rosa op filosofisch festival Brainwash over een ‘gejaagde samenleving’. Het gevolg daarvan, krijgt het voornamelijk jonge publiek er te horen: een op de zeven mensen krijgt te maken met burn-outverschijnselen.

Informatie te over, zou je denken. Toch bestaat er een aantal misverstanden over de burn-out, schemert telkens in de gesprekken door. Zo krijg je een burn-out altijd van te hard werken. Het overkomt mensen die te veeleisend zijn en te weinig ruimte nemen hun hoofd leeg te maken. Door te veel van het goede te willen, rennen ze zichzelf voorbij. ‘We moeten ons weer eens leren vervelen’, is het devies vaak.

Maar als een op de zeven mensen zich emotioneel uitgeput voelt door het werk, kun je dan eigenlijk nog wel spreken van een individueel probleem?

Vaessen, auteur van het boek Op de Bank, vraagt het zich in een stampvolle Lutherse Kerk openlijk af. Nu, vijf jaar na haar eigen burn-out, is ze stellig: „Neem rust, ga op een cursus timemanagement, ga op yoga, is het advies. Waarom vragen werkgevers zich niet eens af: hoe houd ik mijn werknemers productief?”

Zo deed Vaessen in haar managementfuncties op het hoofdkantoor van ABN Amro steeds vaker wat er van haar werd verwacht, en steeds minder van wat haar energie gaf. Werkte ze voorheen nog wel eens eigen ideeën uit, uiteindelijk rende ze vooral achter die van anderen aan. Met een burn-out tot gevolg. Nu vraagt ze zich vaak af: „Wanneer werd ik die zure collega, die óók vond dat er toch vooral ‘geleverd’ moest worden?”

Neerwaartse spiraal

Bij een burn-out ben je opgebrand door langdurige stress. „Wij hanteren vaak de definitie: chronische vermoeidheid in het werk, door een combinatie van uitputting en cynisme”, zegt Arnold Bakker, hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Iemand met een burn-out is dusdanig vermoeid dat er simpelweg te weinig energie over is het werk goed te doen. Het gevolg: slechtere prestaties, lagere productiviteit, groeiend cynisme, en een steeds sterker gevoel te kort te schieten. Wat ontstaat is een neerwaartse spiraal die zo beklemmend kan zijn dat iemand langdurig thuis komt te zitten: een burn-out.

De oorzaken van uitputting kunnen echter divers zijn. Te hoge eisen aan jezelf? Te weinig rust? Oók, zegt Bakker, „maar in de meeste gevallen blijkt dat het werk zélf de boosdoener is.” Iemand heeft te weinig controle over de eigen werksituatie, heeft niet het gevoel een hand te hebben in het resultaat dat hij of zij aflevert, of heeft een slechte relatie met een leidinggevende. Bakker: „Werkgevers zijn echter geneigd naar individuele problemen te kijken wanneer iemand thuis komt te zitten.”

In het herstel ligt de nadruk vervolgens op zelfontplooiing. Zo schrijft Vaessen in haar boek: „De ongezonde werkomgeving draait door en staat niet stil voor een moment van introspectie nu ik blijkbaar ben omgevallen. Ik ben de zieke. Ik moet beter worden.” Bakker: „Terwijl dat vaak dweilen met de kraan open is. Het werk moet ook écht anders.”

Inmiddels durft ook Romkema toe te geven dat haar werkplek een olifantenhuid en engelengeduld vereiste. Misschien wel te veel. „Ik wilde echt iets betekenen voor de jongeren, wilde hun problemen oplossen. Maar eigenlijk liet het werk dat niet toe: ik vloog vaak van de ene cliënt naar de andere, structuur was er soms nauwelijks.” Door een aantal reorganisaties in de zorg is het in die dagen een komen en gaan van collega’s. Bovendien blijkt ieder gezin in vrede achterlaten wat hoog gegrepen, wanneer de eerste jongeren schreeuwend en tierend voor haar staan. Door het ontbreken van structuur en zichtbaar resultaat loopt ze voor haar gevoel constant achter de feiten aan. En daar begint de vermoeidheid.

Een ‘corporate robot’ noemt Vaessen zichzelf achteraf, in haar functie bij ABN Amro. „Rennend van vergadering naar vergadering, waar belangen verdedigd moeten worden. Waar het belangrijker is dat je leerplannen voor je medewerkers tijdig invoert, dan dat je met een briljant nieuw idee komt”, schrijft ze in haar boek. De ‘robotstand’ zorgt ervoor dat ze overleeft, maar bevlogenheid is er niet meer. Vaessen geeft meer energie dan ze krijgt.

Evenwicht

‘Hulpbronnen’, noemt Bakker die energiegevers. „In een gezonde werksituatie bestaat er een evenwicht tussen dat wat ons voldoening geeft, en dat wat onze motivatie in de weg staat”, stelt hij. We krijgen energie van voldoende positieve feedback, genoeg autonomie over hoe we ons werk doen en onze tijd indelen, en voldoende sociale steun.

„Een voorbeeld”, zegt Bakker. „Ik bereid op dit moment een reis naar Zuid-Afrika voor. Het feit dat ik precies weet wat ik er ga doen en daarom een gevoel van controle heb over het resultaat dat ik ga leveren, geeft me voldoening. Dat ik straks ellenlange declaratieformulieren moet invullen maakt me bij voorbaat moe. Het een geeft energie, het ander vreet. Maar de balans is goed.”

Die balans is volgens Bakker zoek wanneer er te veel taakeisen zijn. „Bij mensen met een burn-out is dát vaak wat er misgaat: de hulpbronnen zijn op. Ze geven meer energie dan ze krijgen, worden cynisch, en raken daarom langzaam op.” De oplossing is volgens Bakker daarom in vrijwel alle gevallen het op orde brengen van de energiegevers, mét hulp van de organisatie. „Iemand op mindfulnesscursus sturen heeft weinig zin, minder taken geven evenmin. Neem in plaats daarvan overspannen werknemers apart, en vraag waar ze behoefte aan hebben. Het gevoel de touwtjes in handen te hebben, dát geeft ons voldoening.”

En anders? Stoppen

Maar wat nu als een leidinggevende niet luistert? Of er simpelweg geen ruimte is voor datgene wat je graag wil? „Het zorgen voor een goede balans blijft ook een eigen verantwoordelijkheid”, aldus Bakker. Lukt het je niet je werk uitdagender te maken en is er niemand die je erbij helpt, durf dan ook te denken aan een andere baan.

Achteraf gezien had ze zich dit eerder willen realiseren, zegt Romkema. „Je hoeft niet alles te kunnen. Je werk is een groot deel van je leven: doe alsjeblieft iets waar je werkelijk enthousiast van wordt.” Stoppen deed ze uiteindelijk met behulp van een loopbaancoach, gefinancierd door haar oude werkgever. Inmiddels werkt ze bij een kinderdagverblijf. „Een veel lievere omgeving.”

Ook Vaessen stopte met haar werk bij ABN Amro, en werd zzp’er. Haar advies nu: „Ga niet aan jezelf voorbij en neem geen genoegen met een bestaan als robot.”

Online videomuseum ‘Ondersteboven’

In de jaren zestig worden alle bestaande conventies overhoop gegooid. Het land ondersteboven. Minder naar de kerk, meer naar school, minder werken en meer seks.

In 2016 besteden de NTR, de VPRO en de televisieserie Andere Tijden aandacht aan deze roerige periode.

Online deden we dat met ruim zestig bijzondere en iconische fragmenten uit de jaren zestig in één grote collage. Voor deze online collage (het online videomuseum) interviewde ik Jacco Gardner, Yvonne Keuls, Fred de la Bretonière, Joan Haanappel, Cisca Dresselhuys, Woody van Amen en Meindert Fennema, en schreef daar ruim vijftig korte artikeltjes over.

http://www.jarenzestig.nl

‘Ga het gesprek over radicale gevoelens aan’

Gepubliceerd op VPRO Buitenland

Volgens de Javaanse moskeeleider Ustad Jazir zijn dialoog en acceptatie het antwoord op fundamentalisme. Maar is zijn handelswijze opgewassen tegen de radicalisering in het land? Een verslag van reizend journalist Anne Corré.

‘Dani daar is van Hizbullah, een plaatselijke radicale moslimbeweging hier in Yogyakarta.’ Moskeeleider Ustad Jazir wijst naar een klein kamertje, waarin een stevige jongen voor een decor van schoonmaakspullen achter een computer zit. ‘Hij maakt de moskee hier schoon, in ruil daarvoor krijgt hij een werkplek.’

De regel is simpel: in de Jogokariyanmoskee kun je rijst, medische hulp, een werkplek of zelfs een studielening krijgen. Als er in ruil daarvoor maar geen geweld gebruikt wordt, de Indonesische traditie van tolerantie geaccepteerd wordt en ieder een zinvolle bijdrage levert aan de moskee. ‘Dani organiseert hier bijvoorbeeld debatten tussen radicale en gematigde leiders’, vertelt Jazir. Want radicalisering, dat is in Jazir’s ogen voornamelijk ‘een antwoord van kansarme mannen en vrouwen op een steeds liberaler wordende samenleving.’ Een antwoord waar hij een weerwoord op probeert te geven, door de lokale radicale groeperingen binnen zijn moskee te betrekken. ‘Op die manier heb ik zicht op wat ze doen, kan ik ze weerhouden van geweld’, zegt Jazir. ‘En ik bied ze kansen.’

In de turquoise moskee in Yogyakarta lopen ze daarom door elkaar: gematigde en radicale moslims, van traditioneel Indonesisch tot Arabisch georiënteerd. Op de voorgevel staat het er in twee talen: Masjid Jogokariyan. De open ruimte nodigt uit om elk moment langs te komen. Een groepje jongens blijft er nog lang na het gebed, gebogen hangend over hun scooters. Jazir noemt zichzelf gematigd moslim, net zoals het overgrote deel van de Indonesische moslims dat doet. ‘De traditionele Indonesische Islam is een tolerante, gematigde islam’, legt hij uit. En dat maakt het een apart schouwspel. Want die radicale islam, daar heeft de gemiddelde bewoner van het grootste moslimland ter wereld het niet zo op.

Radicalisering

Sinds de val van Soeharto in ‘98 is in Indonesië een groeiend aantal radicale moslimgroeperingen actief. Het zijn groepen die zich regelmatig met geweld en intimidatie keren tegen zaken die tegen de islam ingaan. Groepen ook, met een Arabisch georiënteerde islam als grondslag. ‘De meeste moslim-radicalen gaan naar scholen waar in het Arabisch lesgegeven wordt’, vertelt Jazir. ‘Zij kennen de islam uit Arabische geschriften. Hun denkwijzen druisen in tegen die van de traditionele, tolerante Indonesische islam.’ Niet zelden moeten christenen, sjiieten, maar bijvoorbeeld ook communisten het daarom ontgelden.

De aanhang van deze radicale groepen bestaat slechts uit een klein deel van de Indonesische moslims, maar de impact is groot. Zo neemt het aantal gewelddadige incidenten van ‘knokploeg’ Front Pembela Islam (FPI) nog steeds toe. Discotheken worden kort en klein geslagen, minderheden worden belaagd. Moslim-radicalen van terreurgroep Jemaah Islamiyah pleegden in het verleden aanslagen op hotels in Jakarta en dansclubs op Bali. In 2002 kwamen hier nog ruim tweehonderd mensen bij om het leven. De groep wordt al enige tijd in verband gebracht met Al Qaida. Kortom, Indonesië heeft al enige tijd ervaring met de strijd tegen moslimradicalisme. Moskeeleiders als Ustad Jazir op hun eigen, kleine schaal.

Islamitische Staat

Afgelopen zomer kreeg die strijd een nieuwe dimensie. De opkomst van de Islamitische Staat is ook in Indonesië een veelbesproken onderwerp. Een aantal radicale groeperingen, waaronder Jemaah Islamiyah, sprak onlangs haar openlijke steun voor terreurgroep IS uit. Andere radicale groepen keerden zich juist fel tegen het terreur-geweld van IS, waaronder het FPI. In augustus kondigden de Indonesische autoriteiten een officieel verbod op het gedachtengoed van IS aan. Daarmee namen zij overduidelijk afstand van het gedachtengoed, dat tegen de grondbeginselen van de Indonesische staat in gaat. Genoeg stof voor discussie dus, zelfs onder moslimradicalen.

Zo staat Dani in de Masjid Jogokariyan-moskee bekend als fanatiek voorstander van shariawetgeving en een Indonesisch kalifaat. Tegelijkertijd spreekt hij zich openlijk uit tegen IS: ‘Een kalifaat kan nooit met geweld worden afgedwongen. Dat dient te worden opgericht met steun van een meerderheid van moslims.’ Het verbod op IS vindt hij wel te ver gaan. ‘Iedereen moet zijn of haar radicale ideeën uit kunnen dragen’, stelt hij. ‘Wat die ook mogen zijn.’

Heilige oorlog

Toch verdwenen ook uit de moskee onlangs drie jongens naar Syrië. Ustad Jazir praat er open over, maar zijn moedeloosheid schemert tussen de regels door. ‘Het is een groep jongens die minder op binnenlandse doeleinden en meer op de heilige strijd om de soennitische islam gericht is’, vertelt hij. ‘Zij zien de oorlog die nu in Syrië en Irak woedt als een strijd van ongelovigen tegen de soennitische islam. Uit solidariteit voor hun soennitische broeders zijn zij daarom naar het Midden-Oosten vertrokken. Om mee te vechten in een wereldwijde jihad.’ En precies voor díe groep houdt Jazir zijn hart vast.

Want hoewel het verbod op IS en de veroordelende houding van de Indonesische bevolking ervoor zorgt dat de meeste radicale groepen zich matigen, jaagt het diegenen die hun openlijke steun aan IS betuigen juist tegen zich in het harnas. ‘Wanneer terugkerende jihadi’s niet geaccepteerd worden in onze samenleving en de nieuwe regering van Jokowi een steeds liberaler beleid voert, danzou die groep nog wel eens een groot gevaar kunnen vormen’, zegt Jazir. Halverwege de jaren tachtig voltrok zich eenzelfde scenario: zo’n 350 Indonesische radicale moslims vetrokken toen naar Afghanistan en sloten zich bij thuiskomst bij terreurgroepen als Jemaah Islamiyah aan. Verschillende aanslagen volgden. ‘Het is niet ondenkbaar dat zoiets weer zou kunnen gebeuren’, aldus Jazir.

Moskee2

De-radicaliseren

Het verschil is echter dat de Indonesische veiligheidsdiensten inmiddels goed zicht op terreurnetwerken hebben. Zuhairi Misrawi, islamkenner en islamitisch activist: ‘de Indonesische autoriteiten hebben alle kennis in huis als het gaat om controle en monitoring en voeren die ook goed uit’, zegt hij. Eventuele grote aanslagen kunnen daarom eerder worden onderschept. ‘Maar de Indonesische overheid kent ook uitstekende de-radicaliseringsstrategieën, die zelden worden ingezet’, zegt Misrawi. ‘Terwijl die nu juist hard nodig zijn.’

Wat Zuhairi Misrawi en ook Ustad Jazir betreft is dat de zwakte van het huidige Indonesische beleid. Volgens officiële cijfers zijn er op dit moment meer dan vijftig jihadi’s naar Syrië en Irak vertrokken. Onofficiële bronnen melden dat het er driehonderd zijn. Op het aantal Indonesische moslims een zeer kleine groep, maar volgens Jazir zijn het er genoeg om je zorgen over te maken. ‘Om die groep zal iemand zich straks wel moeten bekommeren’, zegt hij. ‘Want wie ze simpelweg niet accepteert, sterkt ze in hun strijd.’

De-radicaliseren dus. Maar hoe? ‘Dialoog en acceptatie’, zegt Jazir resoluut. Volgens hem zijn dat de belangrijkste ingrediënten in het de-radicaliseringsproces. Ze worden landelijk nog weinig ingezet, maar werken op kleine schaal al wel. In de Masjid Jogokariyan-moskee van Ustad Jazir worden jongens als Dani bijvoorbeeld geaccepteerd. Hun ideeën worden wel bediscussieerd, maar niet veroordeeld. Integendeel: Jazir houdt een levendig debat in stand. In de moskee is Dani welkom om vanachter zijn computer zijn ideeën te verwezenlijken. Tussen de bedrijven door brengt Jazir hem Indonesisch, tolerant, nationalisme bij. ‘Ik leer ze de geschiedenis van Indonesië’, zegt hij trots. Uit een grote bak in zijn kantoortje haalt Jazir een stripboek. ‘Hierin wordt de oorsprong van onze islam uitgelegd, voor kinderen.’

En voor jongens als Dani lijkt die benadering inderdaad te werken. Hizbullah is een groep in Yogyakarta die net als vele andere radicale groeperingen bekend staat om haar intimiderende acties. Maar op dit moment is Dani vooral met lokale autoriteiten in gesprek om een aangepaste, lokale islamitische wet in te voeren. ‘Uiteindelijk hoop ik dat de hele wereld inziet dat de soennitische islam het ware geloof is’, zegt hij. ‘Hier in Indonesië kan ik een klein begin maken.’

‘Mensen die ik bewonder, dat zijn mensen met een eigen mening’

Ook te lezen op: Jimjansen.net

Binnen de Universiteit van Amsterdam staat hoofdredacteur van Folia Magazine Jim Jansen bekend als enfant terrible. ‘Ik laat me niet imponeren door geld of macht.’ Maar om de tafel mogen zitten met de burgemeester, dat is toch ook wel weer stoer.

‘We worden ook wel de cowboys van de UvA genoemd.’ Samen met inmiddels goede vriend Paul van de Water, directeur en financieel brein achter Folia Magazine, bestiert hij sinds anderhalf jaar de redactie van het studentenblad. Bij zijn aantreden fuseerden het studententijdschrift Folia (UvA) en hogeschoolmagazine Havana (HvA) tot één Folia Magazine. Nooit zonder enige tegenstand, maar ‘het was vooruit of ten onder gaan, vonden wij.’

Jim Jansen (41) zit naar eigen zeggen nooit stil. ‘Ik ben best wel veel bezig.’ Na twee afgeronde studies (Jansen deed de Pabo en studeerde Orthopedagogiek) werd hij in ’99 hoofdredacteur van popmagazine LiveXS. Na een jaar ging dat vervelen. ‘Je schrijft toch alleen maar over muziek.’ Hij stapte over naar het hoofdredacteurschap van hogeschoolmagazine Havana, ruilde dit zeven jaar later in voor het hoofdredacteurschap van studentenblad Folia en doet dit inmiddels voor het vernieuwde Folia Magazine. Naast hoofdredacteur is hij voorzitter van de medezeggenschapsraad op de basisschool van zijn kinderen en  dagvoorzitter van zijn flippervereniging. Twee boeken schreef hij. Eén over zijn grote liefde voor de flipperkast: ‘No Balls No Glory‘ en met goede vriend Kees Hoogenveen schreef hij in 2009 ‘Het geheim van de Nederlandse Topcoach‘. ‘Ik doe best wel veel hè? Had ik dat al verteld?’, roept Jansen als hij de vergaderruimte van Folia uitkomt. ‘Maar laten we nu wel eerst even een broodje eten, want ik heb net drie uur zitten vergaderen.’ Op zijn bureau, dat het midden van de redactie vormt, wordt een aantal papieren neergegooid. Zijn bewegingen zijn snel, zijn passen groot. Ze hebben een bepaalde ongedurigheid in zich. Zijn stem is vrolijk, zijn zinnen vaak van de hak op de tak. ‘Jongens ik ben even een interview doen.’

Keuzes

Jij en Paul (van de Water) staan binnen de UvA als behoorlijk recalcitrant bekend.

‘Dat is zo. Wij gaan keihard overal tegen in. Mensen die ik bewonder, of mensen die ik leuk vind, dat zijn altijd mensen met een sterke eigen mening. Alles wordt tegenwoordig maar gladgestreken en duizend keer gefactcheckt. Dat gebeurt hier op de UvA ook. Alle seks is er uit. Wat naar buiten gebracht wordt daar moet een voorlichting of een persfiguur over heen en fouten worden nooit toegegeven. Dat stoort mij wel. Wat dat betreft passen Paul en ik ook goed bij elkaar. Het moet nooit saai worden.’

Dat je zoveel dingen doet, jezelf bezig houdt, is dat omdat je zelf bang bent dat het saai wordt?

‘Stel dat ik alleen Folia zou doen, dus sec het vak van hoofdredacteur, dan zou ik ongedurig worden. Als ik niet meer dan één of twee keer per week iets anders doe dan het hoofdredacteurschap word ik gek. Ik moet wel mijn uitlaatkleppen hebben. Bovendien moet je geïnspireerd blijven raken. Dus het is geen doel op zich, maar, nou ja, ik zou het gewoon minder leuk vinden. Ik maak ook wel veel keuzes hoor, in de dingen die ik doe. Wie veel wil doen moet ook veel dingen niet doen.’

Wat voor dingen zijn dat?

Toen ik studeerde waren er altijd mensen bij mij thuis. Ik at nooit alleen. Het was de pré-mobiele tijd, mijn huistelefoon stond altijd roodgloeiend. Mijn vrouw zei het laatst nog: ‘Altijd mensen, vrienden, vriendinnen, of we wat gingen doen.’ Dat gebeurt nu veel minder. Thuis vind ik het heerlijk om gewoon alleen te zijn. Ik nodig ook heel weinig mensen uit. Ik ben altijd onder de mensen, dus vind ik het thuis fijn om rust te hebben. Overal ben ik aan het sturen of nadenken, overal zit ik in een bepaalde rol. Thuis wil ik die rol los kunnen laten. Nu denk ik vaak: je kunt vijf goede vrienden hebben en twintig kennissen. Zo maak ik keuzes.’

Je goede vrienden zijn wel vaak via werk aan je gebonden.

Jansen lacht. ‘Ja dat klopt. Maar ik ben er ook van overtuigd dat als je echt intensief samenwerkt met mensen, het nooit alleen werk kan zijn. Dan moet er uiteindelijk wel een vriendschap ontstaan, ook al is het maar van tijdelijke aard. Je helpt elkaar, maakt elkaar beter. Daar zit altijd vriendschap tussen.’

Kinderen

‘Heb je zelf kinderen?’ Het moet even gecheckt worden. Want welk onderwerp je ook aansnijdt, de kinderen vormen een rode draad door zijn verhalen. Door zijn ambities, zijn visies zelfs, maar vooral bij de keuzes die hij maakt. Vijf en zeven zijn ze, Nena en Miquel. ‘De kinderen komen altijd op de eerste plaats.’ Kan er geen oppas gevonden worden? Dan gaan ze gewoon mee. ‘Dan zet ik ze gewoon in een hoek met wat speelgoed. Ik heb ze best streng opgevoed. Maar dat kan ook wel eens ontzettend mis gaan hoor.’ Jansen begint te glunderen. ‘Ik had laatst een afspraak bij het Parool met de hoofdredacteur en de chef van het magazine. Het was best een grote vergadering, maar het ging goed. Tot één van de twee ineens zegt: ‘Pap, wat leuk dat ik naast je zit’. Waarop de ander natuurlijk ook naast me wilde zitten. Ik had nog een stel chocoprinsen bij me dus ik dacht nu gaat het mis, ik geef ze zo’n chocoprins. Allebei die kinderen, inclusief tafel, volledig onder de chocolade. Dat kon eigenlijk echt niet.’

Hoe komt het dat de kinderen zo belangrijk voor je zijn?

‘Die kinderen zijn voor mij de motor van mijn functioneren. Ze zijn echt het allerbelangrijkste. Ze zijn kwetsbaar. Je hebt nog directe invloed op ze, op wie ze zijn. Zo’n Folia-nummer is leuk, maar daar wordt morgen wel de vis in verpakt. Kinderen moet je op zien te laten groeien in deze jungle, met alle impulsen die ze krijgen. Dat is best ingewikkeld. Wat geef je ze mee? Wat geef je ze niet mee? Wanneer laat je ze los? Wanneer laat je ze niet los? Misschien komt het door mijn opleiding, maar ik denk daar veel over na.’

Je zei net dat je ze best streng opvoedt?

‘Het zijn geen prinsesjes. Ik wil ze wel een beetje weerbaar maken. Ik wil ze heel graag een geweten bijbrengen. Dat ze weten: als ik iets doe, heeft dat consequenties voor iemand anders. Ik vind het belangrijk ze onafhankelijk te leren denken. Ik vind mezelf echt een onafhankelijk denker. Dat klinkt nu heel zwaar, maar wat ik bedoel is dat ik me niet door macht of door druk laat kennen. Ik vind bepaalde dingen, ongeacht wat wie daar over denkt. Ik kan onafhankelijk beslissingen nemen. En dat wil ik die kinderen ook bijbrengen. Dat ze geen allemansvrienden hoeven te zijn en dat ze beslissingen kunnen en mogen nemen die misschien niet iedereen leuk vindt. Ik heb net op de redactie gezegd dat ik het nummer dat we nu in behandeling hebben niet goed vind. Veel mensen voelen zich dan aangevallen, maar als baas moet je sowieso niet denken dat je buiten schot blijft. Natuurlijk roddelen ze over je en vinden ze je af en toe een eikel. Of vinden ze dat ik slechte beslissingen neem, maar dat hoort er bij. Als ik daar wakker van moet liggen.. Die Jansen die disfunctioneert en die zou ontslagen moeten worden. Nou ja, so be it. toch? Dat kan je vinden.’

Je trekt je eigen plan?

‘Ik ben niet asociaal. Ik betrek veel mensen bij mijn beslissingen en ik stel me kwetsbaar op. Maar uiteindelijk moeten we wel ergens naar toe, je moet een visie hebben. En dat probeer ik mijn kinderen dus ook bij te brengen.’

Je zoekt die confrontatie ook wel op, in de dingen doe je doet. Je wil de leiding geven.

‘Ja. Maar ook ongevraagd hoor. Die medezeggenschapsraad op de basisschool van mijn kinderen bijvoorbeeld. Ik wilde helemaal geen voorzitter zijn, maar dat word ik dan ongevraagd toch ineens. Omdat ik een visie had. Dan durf ik tegen de directeur van die school te zeggen, die in principe natuurlijk wel gewoon de baas is: jongens, dit is wel een heel groot probleem en hier moeten mensen fouten toegeven. Maar ik vind heel veel dingen ook wel gewoon heel leuk hoor, het is ook een beetje de aandacht die je krijgt. Vorig jaar stond ik in Carré, bij een onderwijsconferentie met Jet Bussemaker, die nu minister is. Ik deed de opening. Dan denk ik wel fuck, sta ik gewoon voor twaalfhonderd mensen in Carré in mijn nette pak. Dat is ook wel super stoer. Ja dat is het misschien ook wel. Als ik geen aandacht gehad had willen hebben dan was ik wel iets anders gaan doen. Ik heb ook wel die geldingsdrang.’

Broer

Met zijn broer Dolf Jansen, cabaretier en presentator van onder andere het radioprogramma Spijkers Met Koppen, heeft hij altijd een goede band gehad. ‘Ik was er vanaf het begin bij betrokken, bij die twee (red. cabaretduo Lebbis en Jansen). Dan verkocht ik de t-shirts in het theater.’ Toch denkt hij dat de carrière van zijn broer hem onbewust wel beïnvloed heeft. ‘Mijn broer ging natuurlijk op het toneel staan. Ik moet er niet aan denken om iedere avond op het toneel te staan, maar toen kwam ‘ie ineens ook op tv. Dat zal wel een soort invloed hebben gehad.’

Leg eens uit.

‘Ik heb nooit de behoefte gehad om cabaretier te worden. Alsjeblieft niet zeg. Maar op een gegeven moment werd ik ergens gevraagd om dagvoorzitter te zijn. Ik weet nog exact waar het is. Ze zeiden: volgens ons kan je dat wel, waarom zou je dat niet doen? Ik dacht dat ik een waardeloos voorzitter zou zijn, dat ze dat gewoon nog niet door hadden. Maar toen ben ik dat toch maar voor gaan zitten bereiden en heb ik het uiteindelijk met humor aangepakt. En toen werd ik ineens veel vaker gevraagd. Ik dacht fuck, dit vind ik leuk. En misschien kan ik dit ook wel een beetje, misschien kan ik hier zelfs wel geld voor vragen. Dan heb je ineens invloed op bepaalde processen en zit je met de burgemeester om de tafel. Nou, dat is toch wel een bijzonder man. Ik denk niet dat het feit dat Dolf op tv was daar een reden voor is geweest, maar ik denk wel dat het invloed heeft gehad. Ik heb hem van twee naar tweeduizend mensen in de zaal zien gaan. En dan merkte je dat zijn mening ineens de norm werd of heel belangrijk werd gevonden. Dan krijg je toch onbewust mee: als je zoiets doet, heb je een groter platform.’

Je zei net dat je niet gevoelig bent voor geld of macht, toch wel een beetje dus.

‘Voor Folia had ik een toekomstvisie. Om zo’n visie te verwezenlijken moet je mensen om je heen verzamelen die jouw ideeën omarmen en die je steunen. Dat is allemaal politiek. Maar is dat dan geldingsdrang? Of is dat visie? Ik weet het niet. Als je een goed idee hebt, wil je dat mensen het zien. Wil je het er doorheen krijgen. Je wil het verwezenlijken. Dat boek bijvoorbeeld, dat ik geschreven heb. Het leek me een leuk onderwerp en ik had er een mooi idee over. Het zou geen bestseller worden, maar ik vond het wel een mooi product. Dus ben ik het gewoon gaan schrijven. Ja het is uiteindelijk toch wel een beetje geldingsdrang denk ik. Al vind ik dat een vervelend woord.’

Doet het je wat als mensen je ideeën niets vinden?

‘Nee, eigenlijk niet. Het enige waar ik echt van van slag kan raken is als er iets met de kinderen is.’

Het enige?

‘In het functioneren dan hè. We moesten een tijd geleden bezuinigen bij Folia. Dan moeten er dus mensen weg, en dat is niet leuk. Ik vond dat ook echt heel vervelend om te moeten doen, mensen wegsturen. Maar ik dacht wel, dit is mijn werk. Ik lag er niet wakker van. Die kinderen, die kun je nog onomkeerbaar verpesten. Daar kan ik wel wakker van liggen, als daar wat mee is.’

Advertenties